Stofmaskers lijken op elkaar maar verschillen enorm in bescherming. De aanduiding
FFP1, FFP2 of FFP3 zegt hoeveel procent van de deeltjes het masker tegenhoudt en
hoe goed het aansluit op je gezicht.
Het verschil in een tabel
| Klasse | Filtratie | Typisch gebruik |
|---|---|---|
| FFP1 | min. 80% | grof stof, vegen, licht schuurwerk |
| FFP2 | min. 94% | schuren, zagen van hout, boren |
| FFP3 | min. 99% | MDF, oude verflagen (lood), schimmel, kwartsstof |
Welke kies je per klus?
- Schuren van oude verflagen: FFP2, maar bij verf van voor 1990 FFP3 (loodrisico).
- MDF zagen of schuren: altijd FFP3, ook met afzuiging.
- Beton boren of slijpen: FFP3 wegens kwartsstof; dat is bewezen kankerverwekkend.
- Algemeen klus- en schilderwerk zonder dampen: FFP2 volstaat.
Belangrijker dan de klasse: de pasvorm
- Een FFP3 dat lekt beschermt minder dan een FFP2 dat goed sluit. Knijp de neusklep
aan en draag het masker op een glad geschoren huid; een baard maakt elk masker lek.
- Met ventiel: comfortabeler bij langdurig werk, maar beschermt je omgeving niet
(relevant bij schimmel- of asbestverdenking).
- Stofmaskers filteren deeltjes, GEEN dampen. Bij oplosmiddelen (verf op
terpentinebasis, lijm, reinigers) heb je een halfgelaatsmasker met A2-filter nodig.
Direct geregeld: bekijk de collectie Veiligheid en PBM.